English

LAD 'F. Kaiser' De Leidsche Flesch Sterrewacht Leiden Universiteit Leiden

Levensschets van F. Kaiser

Auteur: Arno Schoenmakers

Het verhaal over het leven en werk van Frederick Kaiser begint op 10 juni 1808, zijn geboortedatum. Hij werd geboren te Amsterdam, alwaar zijn vader onderwijzer duits was. Frederick was de oudste telg in een gezin van acht kinderen. Zijn vader stierf toen hij acht jaar oud was en vanaf dat moment nam zijn oom zijn opvoeding over. Deze oom, Johan Friedrich Kaiser, zou een belangrijk man voor hem blijken te zijn. Hij was onderwijzer in de wiskunde en een groot liefhebber van de praktische sterrekunde. Hij was zelfs de enige in Nederland die op dat moment iets aan de praktische sterrekunde deed. Hij ontdekte Fredericks wiskundige kwaliteiten en gaf hem een gedegen opleiding in wiskunde en sterrekunde. Reeds in 1820, op twaalfjarige leeftijd, nam Frederick deel aan waarnemingen van een zonsverduistering die toen in Nederland plaatsvond. In 1823 stierf zijn oom en door zijn onderwijstaken over te nemen kon Frederick in zijn levensonderhoud voorzien. Omdat hij ondertussen al de naam had verworven een veelbelovend persoon te zijn, werd hij in 1826 dankzij de invloed van de Utrechtse professor Moll tot observator benoemd aan de Leidsche Sterrewacht, onder de toenmalige directeur Uylenbroek. Om enig inzicht te krijgen in de toestand waarin de Leidsche Sterrenkunde en de Sterrewacht zich toen bevonden wil ik nu eerst even de geschiedenis van de sterrewacht induiken.

De Leidsche Hogeschool werd in 1575 opgericht als geschenk van Willem van Oranje en de Staten van Holland, voor het dappere verzet van de Leidenaren tegen de spanjaarden. Al in 1575 werden er lezingen over sterrenkundige onderwerpen gehouden, maar sterrekunde viel toen nog onder de zuivere wiskunde, zodat er geen aparte hoogleraar voor was. Bedenk ook dat dit alles vöör de tijd van Kepler en Galile was en de lezingen beperkten dus zich waarschijnlijk tot de leerstellingen van Aristoteles en Ptolemaeus. In 1629 werd Jacob Gool, ofwel Golius, hoogleraar in de zuivere wiskunde. In 1632 kreeg hij het idee om een sterrenwacht te stichten, en daarom kocht hij een groot kwadrant van zo'n 2 meter radius. Dat kwadrant had nog aan Snellius toebehoord, die daarmee door middel van driehoeksmetingen een groot deel van Nederland had opgemeten. Het bestuur van de Hogeschool zorgde voor een inrichting. Zo werd er op het dak van het akademiegebouw een vierhoekige houten toren geplaatst met een plat dak. Op dat dak kreeg het kwadrant van Snellius in 1633 een eigen huisje met een dak met openklapbare dakpanelen. Dit was de eerste vorm van de Leidsche Sterrewacht, die daarmee een feit was. De Leidsche Sterrewacht was daarmee de oudste universitaire sterrenwacht ter wereld! Bedenk wel dat de sterrewacht in die tijd eigenlijk slechts een hulpmiddel bij het onderwijs was (het zou tot 1840 duren voordat er een hoogleraarschap voor sterrenkunde ontstond!). Het kwadrant is nu nog te bezichtigen in het museum "Boerhaave".

Van Golius is bekend dat hij veel waarnemingen heeft gedaan aan kometen en zons- en maansverduisteringen. Zijn kwadrant was dan ook het beste dat er op dat moment bestond. Na Golius' dood in 1667 werd in 1689 door een latere hoogleraar, Volder, ook nog een sextant aangeschaft. Hiervoor werd een nieuwe toren gebouwd en het platform werd ook groter gemaakt. Volder heeft echter zelf nooit belangrijke waarnemingen gedaan. Hij was dan ook meer physicus dan astronoom. De sterrekunde in Leiden raakte toen al snel in het slop. In 1712 werd 's Gravensande aangesteld, de eerste hoogleraar die astronomie als onderdeel van zijn leeropdracht kreeg. Hij schafte enkele nieuwe, moderne, instrumenten aan, waaronder de eerste telescoop die in Leiden een plaats zou vinden. Aan waarnemen deed hij echter niet veel. Hij was w Na 's Gravensandes dood werd in 1742 de toen 20-jarige Johan Lulofs hoogleraar in de wis- en sterrenkunde. Hij trof het instrumentarium in goede staat aan, maar wenste grote verbeteringen aan de huisvesting van de sterrewacht. De curatoren waren echter niet zo overtuigd van zijn argumenten en er gebeurde dus niets. Ook klaagde hij veel over de overlast die ontstond omdat de sterrewacht 's nachts open stond voor het publiek. Ondanks vele tegenslagen was Lulofs toch de man die de eerste aanzet heeft gegeven tot het omvormen van de sterrewacht van een onderwijsinstelling in een instelling voor wetenschappelijk onderzoek. Hij heeft dan ook vele belangrijke waarnemingen op zijn naam staan, onder andere van Halley's komeet. Na Lulofs dood in 1768 raakte de sterrenkunde in Leiden pas goed in verval. Dit blijkt het duidelijkst uit een citaat van de franse astronoom Lalande tijdens zijn rondreis door Holland in 1785. Over de Leidsche Sterrewacht meld hij: "Ik heb noch instrumenten, noch astronomen gezien die het waard zijn om te vermelden."

Aan het eind van de achttiende eeuw ging het wat beter met de universiteit en ontstonden er plannen voor een nieuw akademiegebouw en een aparte sterrewacht. De motivatie toentertijd was dat de nachtelijke waarnemingen te veel brandgevaar met zich meebrachten voor het hele academiegebouw (men had immers nog geen elektrisch licht). Wegens geldgebrek is het plan echter nooit uitgevoerd. Na de franse bezetting kreeg Holland in 1815 zijn onafhankelijkheid terug. Dit bracht tegelijkertijd een belangrijke mentaliteitsverandering met zich mee: het verzamelen en ordenen van de rijkdommen van de natuur ging vòòr experimenteel onderzoek. Het behoeft dus geen verbazing te wekken dat er weer meer geld voor de sterrenkunde kwam. Hiermee werden enkele grote, maar niet altijd verstandige aankopen gedaan. De eerste verandering was weer een totale vernieuwing van de behuizing: er kwam een nieuwe grote toren in plaats van de twee oude torentjes. Deze had echter dunne muren en zwakke vloeren. Omdat de waarnemer op dezelfde vloer stond als zijn instrument kwam dit de nauwkeurigheid van de waarnemingen niet ten goede. Ook werd het platform vergroot. Daarnaast werden een aantal nieuwe instrumenten aangeschaft, die echter stuk voor stuk te duur waren voor hun kwaliteit. Een illustratie van die mentaliteitsverandering is de spiegeltelescoop die aan de sterrewacht geschonken werd door koning Willem I. Deze voor zijn tijd reusachtige telescoop had een spiegel van 55 cm. Hiervoor werd een apart huisje gebouwd op het platform. Helaas was deze telescoop van zeer slechte kwaliteit en dientengevolge onbruikbaar voor serieus onderzoek. Omdat het een geschenk van de koning was durfde niemand hier echter iets van te zeggen. Dit nu was de toestand van de sterrewacht in Leiden toen Kaiser in 1826 tot observator werd benoemd. Het instrumentarium dat hij aantrof was zo slecht en verouderd dat hij gedwongen was de meeste waarnemingen te doen met de instrumenten die van zijn oom waren geweest.

Omdat Kaisers benoeming geheel buiten de toenmalige directeur Uylenbroek om had plaatsgevonden, was deze weinig geneigd om hem te steunen. Ook het feit dat Kaiser autodidact was, droeg niet echt bij tot een goede verstandhouding. Als Kaiser wilde waarnemen ging Uylenbroek altijd mee om een oogje in het zeil te houden. Ook werden zijn plannen voor verbetering van de sterrewacht eenvoudigweg ter zijde geschoven. Deze toestand leidde vanzelfsprekend niet tot verbetering van het wetenschappelijke werk op de sterrewacht. De doorbraak van Kaiser zou dan ook op zich laten wachten tot 1835, het jaar waarin de komeet van Halley zou verschijnen. Kaiser had uitvoerige berekeningen gedaan aan de baan van deze komeet en ontdekte zo fouten in de berekeningen die andere astronomen hadden gemaakt. De grote vraag was wanneer de komeet door zijn perihelium zou gaan. De voorspellingen van grote buitenlandse astronomen liepen uiteen van 30 oktober tot 15 november. Uit waarnemingen bleek dat de door Kaiser berekende tijd slechts 1,5 uur naast de werkelijke doorgang lag! Met recht een triomf voor Kaiser dus! Voor dit behaalde succes werd hij beloond met een ere-doctoraat in 1835. De waarnemingen aan de komeet kon Kaiser echter niet op de sterrewacht zelf doen. Daarvoor was het instrumentarium gewoonweg te slecht. Hij kon echter een goede kijker lenen van een liefhebber en plaatste die bij hem thuis op zolder. Om nauwkeurige waarnemingen te doen moest hij de kijker zeer stabiel ophangen en tijdens de waarnemingen enkele dakpannen van zijn dak verwijderen. Dankzij deze kunstgrepen was hij uiteindelijk wel in staat om de positie van de komeet gedurende enkele maanden waar te nemen. De verschijning van de komeet trok natuurlijk een hoop mensen naar Leiden om naar de komeet te kijken, ook belangrijke mensen uit Den Haag. Toen zij echter merkten dat zij niet naar de oude sterrewacht geleid werden om daar met een kijker van de sterrewacht naar de komeet te kijken, maar op de zolder van Kaiser's huis met een privé-kijker door een gat in het dak keken, begon het langzaam door te dringen dat er iets gedaan moest worden aan de toestand op de sterrewacht in Leiden. Dit zou echter nog enige jaren duren. In de tussentijd deed Kaiser vele, uiterst nauwkeurige, waarnemingen en zijn naam werd dan ook zeer bekend in Nederland. Uiteindelijk werd hij in 1837 benoemd tot lector in de sterrekunde en directeur van de sterrewacht. Hij zag het vanaf dat moment als zijn levenstaak om de sterrekunde in Nederland opnieuw te doen opleven.

Ondanks het feit dat de dure oorlog met Belgie juist was geëindigd kon hij toch geld krijgen om de oude sterrewacht enigszins op te poetsen. De grote toren werd vernieuwd en er werden enkele nieuwe instrumenten aangeschaft, waarmee hij vanaf 1840 waarnemingen heeft gedaan die niet onder hoefden te doen voor waarnemingen die op grote buitenlandse sterrewachten met grotere instrumenten werden gedaan. Zijn waarnemingen van dubbelsterren overtroffen die van zijn buitenlandse kollega's vaak. Die waren natuurlijk niet altijd blij dat "die vervloekte vent met zijn kleine kijkertje", zoals ze het zeiden, alles overtrof. Kaiser zelf zei over de nieuwe inrichting echter dat het nu "een leuke kleine amateursterrewacht" was. Het respekt voor Kaiser begon langzaam te groeien, ook in het buitenland. In eigen land werd hij uiteindelijk in 1845 de eerste Leidse professor in de astronomie. Door zijn faam en invloed wist hij de curatoren van de Hogeschool eindelijk zover te krijgen om de grote spiegelkijker van Willem I weg te halen en de koepel te vernieuwen. Omdat deze kijker door twee Friesen was gebouwd veroorzaakte dit besluit nogal wat opschudding in Friesland. Kaiser werd aldaar niet alleen in de kranten beschuldigd van vandalisme, maar zelfs bij de regering daarover aangeklaagd. Behalve het weghalen van de grote telescoop werd de toren aanzienlijk verstevigd, en werden enkele nieuwe instrumenten aangeschaft. Ondanks deze verbeteringen bleef er echter veel te klagen over de sterrewacht. De plaatsing boven op het akademiegebouw maakte hem moeilijk bereikbaar en ook de klokken in de toren van het gebouw bezorgden overlast bij zijn waarnemingen. Telkens wanneer deze klokken luidden werden de trillingen door het hele gebouw verspreid, tot aan de toren van de sterrewacht en de kijkers toe. Aangezien de klok elk half uur luidde leverde dit nogal wat ergernissen op. Ook het feit dat de sterrewacht nog steeds open stond voor het volk, hinderde hem mateloos. Door al deze problemen leefde bij Kaiser reeds langere tijd het idee van een nieuwe, vrijstaande sterrewacht. Nu echter pas was zijn invloed zo groot dat er serieus over gepraat werd.

Als voorbeeld voor zo'n nieuwe sterrewacht nam Kaiser de Pulkowa-sterrewacht bij St. Petersburg, een instituut waar hij groot ontzag voor had. Hoewel Den Haag zeer positief tegenover dit idee stond werd er geen geld voor vrijgemaakt. Daarom werd een algemene oproep aan het volk gedaan om geld te geven voor een nieuwe sterrewacht in Leiden. Omdat Kaiser de popularisering van de sterrenkunde een warm hart toedroeg, was hij bij het volk erg populair geworden. Op zijn oproep werd dan ook zo enthousiast gereageerd dat Den Haag moeilijk meer achter kon blijven en alsnog een bedrag reserveerde voor Kaiser's sterrewacht. Kaiser nu had als lokatie voor de nieuwe sterrewacht een stuk weiland buiten Leiden in gedachten, maar dit werd door de instanties te duur bevonden. Dit is achteraf maar goed geweest, want anders had de nog aan te leggen spoorlijn naar Utrecht op minder dan 100 meter langs de sterrewacht gelopen met alle nadelige gevolgen vandien (trillingen!). Uiteindelijk werd een gedeelte van de hortus aangewezen als locatie voor de sterrewacht, hoewel dit natuurlijk zeer tegen de zin van de biologen was. In 1860 was de bouw voltooid en werden de instrumenten van de oude sterrewacht op het academiegebouw naar de nieuwe verhuisd. De nieuwe instrumenten, waaronder het hoofdinstrument: de meridiaankijker, kwamen echter pas in 1861 aan op de nieuwe sterrewacht. Daarom was de sterrewacht pas volledig operationeel in 1861 en wordt dat jaar ook gezien als het openingsjaar van de nieuwe leidse sterrewacht. Al meteen vanaf het begin werd er ijverig waargenomen. Kaiser had de beschikking gekregen over een observator en daarnaast werkte Van De Sande-Bakhuizen, de latere directeur, er gedurende een jaar als vrijwilliger. Veel waarnemingen moesten zowel met de meridiaankijker, op de benedenverdieping, als met de nieuwe 18 cm. kijker, in de koepel op het dak, gedaan worden. De observatoren moesten zo vaak de hele nacht de trappen op en af rennen. Langzaamaan kwam er ook meer geld beschikbaar voor de sterrenkunde. Daarmee konden enige rekenaars in dienst worden genomen om de stapels waarnemingen uit te werken. Ook kon in 1868 het eerste deel uitgegeven worden van de "Annalen van de sterrewacht te Leiden". Deze werd in het Duits uitgegeven om hem beter toegankelijk te maken in het buitenland (Duits was toentertijd de taal van de wetenschap). Naast een beschrijving van de geschiedenis van de leidse sterrenkunde stonden hierin uiterst nauwkeurige positiewaarnemingen van 180 sterren en waarnemingen van o.a. Mars, kometen en planeetdiameters. Deze en de volgende delen vonden veel waardering in het buitenland en vergrootten de roem van Leiden als sterrenkundig onderzoeksinstituut en van Kaiser zelf als astronoom. Kaiser bleef uiteindelijk aktief aan de sterrewacht tot zijn dood op 28 juli 1872.

Dat hij Leiden internationaal aanzien had gegeven blijkt wel het duidelijkst uit het feit dat de jaarlijkse vergadering van de "Astronomische Gesselschaft" in 1875 voor het eerst eens niet in Duitsland of Oostenrijk plaatsvond, maar in Leiden. Ook na de dood van Kaiser heeft de Leidsche Sterrewacht altijd haar goede naam weten te behouden en hebben vele beroemde astronomen hier hun opleiding gehad of er gewerkt. Enkele welbekende namen zijn DeSitter, Hertzsprung en Oort. Men moge echter niet vergeten dat dit alles voornamelijk te danken is aan één man: Frederick Kaiser.